steen in de vijver punt info
→ KAN DEMOCRATIE ZONDER KUNST?
 
 
Is kunst een voorwaarde voor democratie? Als dat zo is, dan is kunst meer dan een persoonlijke hobby en heeft ze juist daarom een wezenlijk publiek belang. Steen in de vijver wil onderzoeken wat kunst kan bijdragen aan onze hedendaagse samenleving. Deel onze missie, en denk mee!

→ bijdrage@steenindevijver.info
in gesprek met
Albert Jan Kruiter
Op maandag 11 februari heeft Steen in de Vijver gesproken met bestuurskundige Albert Jan Kruiter. Lineke Rijxman en Joan Nederlof hadden Albert Jan bij een publieke bijeenkomst in Frascati over kunst en politiek horen spreken. Ze vonden zijn kennis over de geschiedenis van de Westerse democratie, zijn visie op en zeer concrete onderzoek naar het functioneren van onze huidige democratische samenleving en zijn grote betrokkenheid bij de publieke zaak, indrukwekkend en enthousiasmerend. Bovendien viel op dat Albert Jan, als een van de weinigen die avond in Frascati, uitsprak dat hij een rol ziet weggelegd voor de kunst als onderzoeker van de democratie.

Tegelijkertijd waren Lineke en Joan zich ervan bewust dat de input die Albert Jan die avond in Frascati aan de kunstsector had gegeven, waarschijnlijk meteen weer zou vervluchtigen. Iedereen gaat na zo’n publiek debat weer naar huis en niemand verzamelt de inhoudelijke opbrengt van de avond om daarmee door te bouwen aan een groter verhaal. Reden voor Steen in de Vijver om Albert Jan uit te nodigen om niet alleen over zijn visie op de huidige staat van de democratie te komen vertellen, maar om ook mee te denken over de functie van kunst voor de democratie en hoe we de resultaten van dat onderzoek kunnen laten stollen in een aansprekend samenhangend verhaal, in plaats van dat het verdampt tot een aantal onopgemerkte incidentele inzichten.

Aan de grote werktafel in het huis van van Hedy d’Ancona vertelt Albert Jan over hoe en waarom naar zijn idee de huidige democratie is vastgelopen door individualisme en bureaucratie. Een ontwikkeling die in het midden van de negentiende eeuw al is voorspeld door Alexis de Tocqueville (1805-1859). We zijn vaak geneigd de democratie louter als staatsvorm te zien, maar die Franse filosoof heeft zich verdiept in de democratie als cultuur. Tocqueville stelt dat de kwaliteit van een democratische samenleving ten diepste wordt bepaald door de manier waarop mensen zich gedragen. En dat dat gedrag van mensen wordt weer bepaald door ‘belangen’ in plaats van door ‘waarden’. Met andere woorden, het is niet de moraal die bepalend is voor de participatie van mensen aan het publieke domein, maar het zijn juist hun individuele belangen die maken dat mensen zich in willen zetten voor het algemeen belang. Alleen is er een verschil tussen ‘direct eigenbelang’ en ‘welbegrepen eigenbelang’. Grof gezegd denk je bij het eerste meteen aan je eigen portemonnee of korte termijn genot en bij het tweede aan een niet alleen voor jou, maar ook voor je buren betere leefomgeving. Bij een gezonde democratie is het welbegrepen eigenbelang goed ontwikkeld. In West Europa is het welbegrepen eigenbelang echter aangevreten door een bureaucratische overheid die decennia lang tegen de burger heeft gezegd ‘maakt u zich maar druk om uw korte termijn eigenbelang, wij zorgen wel voor het publieke belang’ en het individualisme, dat graag van die uitnodiging gebruik heeft gemaakt.

De democratische overheid is op die manier steeds centralistischer en bureaucratischer geworden en de democratische samenleving steeds individualistischer. Hoe meer mensen alleen maar met hun eigen tuintje bezig zijn, hoe meer de overheid de verantwoordelijkheid voor de publieke zaak naar zich toetrekt. En hoe meer de overheid dat doet, hoe meer mensen zich met hun eigen tuintje bezig gaan houden. Tot het moment dat niemand eigenlijk meer weet wat het is om burger te zijn in een democratische samenleving. Maar het gezamenlijke burgerschap, het zonder de overheid problemen oplossen, dat hebben we inmiddels afgeleerd. Er groeien generaties op die niet geleerd hebben om gezamenlijk dingen op te lossen. En de overheid zelf is inmiddels uitgegroeid tot een onbetaalbare verzorgingsstaat. Het moment is nu aangebroken dat de overheid af wil van die te dure verzorgende functie. Ze trekt zich terug in verzorgingsarrangementen, subsidies en sociale zekerheid, maar in controlerende taken rukt ze op. Ze betaalt niet meer, maar wil wel zeggen hoe alles moet gebeuren. En de burger moet het weer zelf gaan doen, maar weet niet meer hoe dat moet.

We zijn nu dus aangekomen op het punt dat Tocqueville voorspeld heeft. We begrijpen democratie als cultuur niet wezenlijk meer. We spreken misschien nog wel over een ‘algemeen belang’, maar we voelen ons er niet meer verantwoordelijk voor.

Tocqueville zelf zet, als hij voorziet hoe de democratie zal verworden tot een individualistische en bureaucratische samenleving, de ervaring centraal. Want als het er om gaat mensen uit te leggen waarom en waarin democratie belangrijk is dan heeft cognitieve overdracht weinig zin. Mensen moeten aan den lijve ervaren wat de waarde is van het gemeenschappelijk problemen oplossen. Door zo’n ervaring kan het belang van het algemeen belang in je genen gaan zitten.

Albert Jan zegt dat hij hierin een overeenkomst ziet met het initiatief van Steen in de Vijver. In haar eerste publicatie heeft de Steen geformuleerd dat het ervaren van kunst een structurele rol speelt in het democratische proces. De gedachtegang die hier achter ligt gaat grofweg als volgt. Aan de basis van een democratische samenleving staat de constructieve uitwisseling tussen mensen, die samen zoeken naar een manier om het publieke deel van het leven vorm te geven. Om tot dergelijke uitwisselingen te komen is het niet toereikend als we elkaar alleen logisch of rationeel verstaan, maar we moeten elkaar ook simpelweg zien staan; we moeten elkaar ervaren in de meest letterlijke zin van het woord. Iets kunnen zien, horen of voelen is niet een basisvaardigheid van elke mens, maar is het resultaat van een ‘sensorium’, een innerlijk gebied, dat heeft geleerd zich daarvoor open te stellen.

Tegelijkertijd realiseert de Steen zich, en die gedachte is alleen maar versterkt door het gesprek met Albert Jan, dat het heel ingewikkeld is om het belang van een ‘sensorium’ niet alleen rationeel over te brengen, maar ook werkelijk invoelbaar te maken. Want net zoals we vervreemd zijn geraakt van de democratie, zijn we dat ook van de kunst. Voor beiden lijkt momenteel te gelden dat de wezenlijke functie ervan in het leven van mensen niet meer invoelbaar van waarde is. Het hele gesprek over de waarde van kunst voor de samenleving, is bijna losgezongen van de werkelijkheid waarin bijna niemand, op een kleine groep na, dat meer vindt. Want wij kunnen wel vinden dat de esthetische ervaring belangrijk is, dat die de empathie versterkt, maar doordat alleen te zeggen of te stellen bereik je waarschijnlijk niks. Dus wat kan je in de kunstsector eraan doen om dat hele idee aanraakbaar te maken? Om het in het leven geïncorporeerd voelbaar te maken in plaats van het erover te hebben? Zodat mensen het gevoel kunnen krijgen dat kunst hen werkelijk helpt met het richting kiezen in een ingewikkelde wereld.

Albert Jan suggereert nog een mogelijke functie voor de kunst. De afgelopen jaren is er voor onze democratische samenleving een nieuwe situatie ontstaan waarin alles ‘minder’ moet worden. Terwijl iedereen altijd gericht is geweest op ‘meer’. Over die nieuwe situatie is bijna niks bekend. Er zijn geen onderzoeken naar gedaan, geen boeken over geschreven. Niemand weet hoe het verder moet met ‘minder’. Minder geld, minder verzorgingsstaat. En dat hij heel benieuwd is of en hoe de kunstsector zich een rol kan verschaffen in die nieuwe situatie. Als niemand meer precies weet hoe het verder moet, zoals nu het geval is, zal je heel veel vragen moeten stellen en daar is volgens hem de kunst de aangewezen sector voor.

Besloten wordt om nog een keer met Albert Jan te praten voordat we een publieke bijeenkomst organiseren waar de outercircle van Steen in de Vijver voor zal worden uitgenodigd. We willen nog een keer door praten over de eventuele overeenkomsten tussen de ‘ervaring’ van democratie waar Tocqueville het over had en de ‘esthetische ervaring’ waar de Steen in haar eerste publicatie over nadacht. En ook over wat er nog soelaas biedt als we constateren dat veel mensen het gemeenschappelijk belang van de democratie niet meer kunnen navoelen, net zoals ze het gemeenschappelijk belang van kunst niet meer kunnen navoelen.

Lees verder … het tweede gesprek met Albert Jan Kruiter op 14 maart 2013